linker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lin·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van links met het achtervoegsel -er
stellend
onverbogen linker
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

linker [1]

  1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
    • Waar is de linker handschoen gebleven? 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord linker linkers
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

linker [3]

  1. (informatica) link-editor (programma om diverse sourcecodes te 'linken')
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

linker

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van link


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen