peer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
1. Twee peren aan een perenboom.
2. Een peer (gloeilamp).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • peer
enkelvoud meervoud
naamwoord peer peren
verkleinwoord peertje peertjes

Zelfstandig naamwoord

peer v/m

  1. (fruit) vrucht van de perenboom
  2. gloeilamp in de vorm van een peer (1)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • appels met peren vergelijken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
peren

peer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peren
    • Ik peer. 
  2. gebiedende wijs van peren
    • Peer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peren
    • Peer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
peer peers

Zelfstandig naamwoord

peer

  1. gelijke


Wolof

Uitspraak
  • IPA: /pɛːr/

Werkwoord

peer

  1. leeglopen
    «Bal bi peer na.»
    De ballon liep leeg.

Zelfstandig naamwoord

peer

  1. stam (van een boom)
  2. paar