staren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
staren
staarde
gestaard
zwak -d volledig

Werkwoord

staren

  1. (inergatief) langdurig naar één punt kijken, soms zonder iets op te merken
    Je kunt nog lang naar deze bladzijde staren, maar wiskunde leer je er niet van.
Vertalingen