staren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
staren
staarde
gestaard
zwak -d volledig

Werkwoord

staren

  1. inergatief langdurig naar één punt kijken, soms zonder iets op te merken
    • Je kunt nog lang naar deze bladzijde staren, maar wiskunde leer je er niet van. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • met grote ogen staren
heel verbaasd of heel bang zijn
  • Hij werd er een beetje bang van. Kleine Woord trok zijn beide benen op en staarde met grote ogen naar de plek waar hij het vreemde beest verwachtte.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 47