staren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Staren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘strak kijken’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
staren
staarde
gestaard
zwak -d volledig

Werkwoord

staren

  1. inergatief langdurig naar één punt kijken, soms zonder iets op te merken
    • Je kunt nog lang naar deze bladzijde staren, maar wiskunde leer je er niet van. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • met grote ogen staren
heel verbaasd of heel bang zijn
  • Hij werd er een beetje bang van. Kleine Woord trok zijn beide benen op en staarde met grote ogen naar de plek waar hij het vreemde beest verwachtte.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 47