fruit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fruit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vruchten’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fruit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fruit o

  1. (voeding) voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten echter let op! [3]
    • Voldoende fruit eten is gezond. 
     Elke dag denderden vrachtwagens met groente, fruit en wijn van het Zuiden naar Parijs.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
fruiten

fruit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van fruiten
  2. gebiedende wijs van fruiten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

fruit

  1. (voeding) fruit; voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten


Engels

Zelfstandig naamwoord

fruit

  1. (voeding) fruit


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

fruit

  1. (voeding) fruit; voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
Synoniemen

Meer informatie