Naar inhoud springen

vruchten

Uit WikiWoordenboek
  • vruch·ten
  • In de betekenis van ‘vrezen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]

devruchtenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vrucht
     Ze legde de vruchten een voor een met een sierlijk gebaar op het gehavende hout, waar ze als planeten lagen te gloeien, een zonnestelsel waarin zij tijdelijk de zon werd.[2]
     Mijn rondgang langs de vruchten van sibling science leert me nog iets anders.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]