par

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: par.Par., PAR


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord par pars
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

par m

  1. (sport) (golf) aantal slagen dat een beroepsspeler standaard nodig heeft om de bal vanaf de afslag in een bepaalde hole te krijgen of het totaal van slagen dat nodig is om dat bij een ronde over een golfbaan bij alle holes te doen
    • Op de scorekaart staat hoe lang de hole is, de par en de moeilijkheidsgraad ten opzichte van de andere holes (…). [1]
Typische woordcombinaties
  • boven par
  • een par spelen
  • onder par
Verwante begrippen

Bijwoord

par

  1. (sport) (golf) in evenveel slagen als een beroepsspeler standaard nodig zou hebben
    • Hole 17 wordt weliswaar par gespeeld, maar wind en zon moeten Giesberts kleding wel drogen, want hij moet ervoor in de vijver gaan staan. [2]

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Bijvoeglijk naamwoord

pār

  1. gelijk, dezelfde ... als, vergelijkbaar, gelijkwaardig
  2. (van getallen) even
  3. passend, redelijk

Zelfstandig naamwoord

pār, m / v

  1. de gelijke, kameraad
  2. (Ovidius) echtgenoot, echtgenote
  3. tegenstander

pār, o

  1. het gelijke
  2. het paar, het koppel (van vogels)
Verbuiging


Lets

Voorzetsel

par

  1. over, van


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • par
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord 1: afkomstig van het Latijnse woord par
  • Zelfstandig naamwoord 2: afkomstig van het Engelse woord par
Naar frequentie 338

Zelfstandig naamwoord 1

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   par     paret     par     para
parene  
genitief   pars     parets     pars     paras
parenes  

Zelfstandig naamwoord

par, o

  1. paar (tweetal)
  2. paar (enkele)
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

par

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van par

Zelfstandig naamwoord 2

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   par     paret          
genitief   pars     parets              

Zelfstandig naamwoord

par, o

  1. (sport) (golf) par




Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • par
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord 1: afkomstig van het Latijnse woord par
  • Zelfstandig naamwoord 2: afkomstig van het Engelse woord par

Zelfstandig naamwoord 1

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   par     paret     par     para  

Zelfstandig naamwoord

par, o

  1. paar (tweetal)
  2. paar (enkele)
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

par, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van par

Zelfstandig naamwoord 2

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   par     paret              

Zelfstandig naamwoord

par o

  1. (sport) (golf) par


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • par
enkelvoud meervoud
par pares

Zelfstandig naamwoord

par m

  1. paar
  2. (wiskunde) even getal

par v

  1. pariteit
  2. tegelijkertijd
  enkelvoud meervoud
mannelijk par pares
vrouwelijk par pares

Bijvoeglijk naamwoord

par

  1. gelijk
  2. even (van een getal)

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • par

Zelfstandig naamwoord

par

  1. genitief meervoud van pára