turen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Noors, in de betekenis van ‘scherp kijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1504 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
turen
tuurde
getuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

turen

  1. inergatief aandachtig, onderzoekend naar iets kijken
    • Met een verrekijker tuurt hij naar de vogels. 
    • Kapitein Smit knijpt zijn ogen tot spleetjes en tuurt over de zee. [2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Sandra Klaassen, Maria van Donkelaar, en Martine van Rooijen. 2002. Zeemeerminnen, zeeschuimers en schuimkoppen. Rotterdam: Lemniscaat.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ren
Naar frequentie 1755

Zelfstandig naamwoord

turen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van tur (betekenis [A] + [B])

Zelfstandig naamwoord

turen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van ture


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·ren

Zelfstandig naamwoord

turen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van tur (betekenis [A] + [B] + [C])

Zelfstandig naamwoord

turen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van tur (betekenis [D])
Synoniemen