oud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oud
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘reeds lang bestaand, lang geleefd hebbend’ voor het eerst aangetroffen in 893 [1]
  • Oorspronkelijk het deelwoord van het Germaanse werkwoord alan, "opgroeien, voeden". Etymologisch verwant met Oudsaksisch en Oudfries ald, Oudhoogduits alt, Oudengels eald, Latijns altus
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oud ouder oudst
verbogen oude oudere oudste
partitief ouds ouders -

Bijvoeglijk naamwoord

oud

  1. (van levende wezens) van hoge leeftijd
  2. (van voorwerpen) al lange tijd bestaand, uit een vroeger tijd afkomstig, versleten
    • Die stoel is al heel oud, hij is nog van mijn grootvader geweest. 
  3. vorig, eerder, voormalig
    • Mijn oude fiets heb ik doorverkocht. 
Synoniemen
Opmerkingen
  • Samenstellingen met "oud" in betekenis [3] voormalig voor een functie of rol van een persoon worden volgens spellingregel 6.I geschreven met een koppelteken: iemand die het rooms-katholieke geloof opgeeft, is een oud-katholiek, terwijl een oudkatholiek iemand met het oudkatholieke geloof is.
  • Samenstellingen met "oud" voorafgaand aan een aardrijkskundige naam worden volgens spellingregel 6.F eveneens met een koppelteken voor de hoofdletter van de naam geschreven, maar bij taalnamen wordt "oud" volgens spellingregel 16.I juist deel van de naam en dus met hoofdletter en zonder koppelteken geschreven: Deventer is een oud-Nederlandse stad die in het Oudnederlands 'Daventre' werd genoemd.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen