oud

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oud
Woordherkomst en -opbouw
  • Oorspronkelijk het deelwoord van het Germaanse werkwoord alan, "opgroeien, voeden". Etymologisch verwant met Oudsaksisch en Oudfries ald, Oudhoogduits alt, Oudengels eald, Latijns altus
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oud ouder oudst
verbogen oude oudere oudste
partitief ouds ouders -

Bijvoeglijk naamwoord

oud

  1. (van mensen) van hoge leeftijd
  2. (van voorwerpen) al lange tijd bestaand, versleten
    Die stoel is al heel oud, hij is nog van mijn grootvader geweest.
  3. de vorige
    Mijn oude fiets heb ik doorverkocht.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Hoe ouder ... hoe moeilijker.
Vertalingen