ouder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ou·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vader of moeder’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ouder ouders
verkleinwoord oudertje oudertjes

Zelfstandig naamwoord

ouder m

  1. (familie) de moeder of vader van een kind
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

ouder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van oud
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen