Naar inhoud springen

officier

Uit WikiWoordenboek
  • of·fi·cier
enkelvoud meervoud
naamwoord officier officieren
officiers
verkleinwoord officiertje officiertjes

deofficierm

  1. (militair) (beroep) iemand die een rang (in het leger) bekleedt die hem of haar het bevel over een zeker aantal ondergeschikten geeft
    • Omdat ze een vrij klassiek beeld had van de oorlog was ze er snel van overtuigd dat Albert 'met zijn intelligentie' na korte tijd zou uitblinken, promotie zou maken en ze zag hem al in de voorste linie in de aanval gaan. Ze stelde zich voor dat hij een heldendaad verrichtte, meteen officier werd, kapitein, commandant of meer nog, generaal, die dingen gebeuren tijdens de oorlog. [3] 
     ' 'En toen,' vroeg hij, 'toen heb je het zeker met een Duitse officier aangelegd en die heeft je hierheen gebracht?' 'Ja, maar ik kon niets anders meer.[4]
  2. (juridisch) ambtenaar in een bepaalde functie
     “Een cliënt had in de verkeerstoren een stapel pornoboekjes van de verkeersleiding verscheurd, maar over dit koddige vergrijp werd door de officier van justitie tijdens de zitting gezwegen.[5]
  3. (scheepvaart) stuurman of machinist
  4. rang binnen een ridderorde, hoger dan ridder, maar niet zo hoog als commandeur of grootkruis
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]