officier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • of·fi·cier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rang bij de marine’ voor het eerst aangetroffen in 1685 [1]
  • afgeleid van het Latijnse officium (ambt) met het achtervoegsel -ier [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord officier officieren
officiers
verkleinwoord officiertje officiertjes

Zelfstandig naamwoord

officier m

  1. (militair) (beroep) iemand die een rang (in het leger) bekleedt die hem of haar het bevel over een zeker aantal ondergeschikten geeft
  2. (juridisch) ambtenaar in een bepaalde functie (-> officier van justitie)
  3. (scheepvaart) stuurman of machinist
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen