commandeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·man·deur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘laagste rang van vlagofficier bij de marine’ voor het eerst aangetroffen in 1739 [1]
  • afgeleid van het Franse commandeur (waardigheidsbekleder bij ridderorde; leider)
  • Naamwoord van handeling van commanderen met het achtervoegsel -eur [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord commandeur commandeurs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

commandeur m [3]

  1. (militair) iemand die het bevel voert, gewoonlijk over strijdkrachten
  2. (militair) officiersrang bij de zeemacht, tussen die van kapitein en schout-bij-nacht in en commodore bij de landmacht, respectievelijk luchtmacht
  3. iemand met een ridderorde, in rang boven officier en onder grootkruis
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen