commandeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·man·deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord commandeur commandeurs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

commandeur m [2]

  1. (militair) iemand die het bevel voert, gewoonlijk over strijdkrachten
  2. (militair) officiersrang bij de zeemacht, tussen die van kapitein en schout-bij-nacht in en commodore bij de landmacht, respectievelijk luchtmacht
  3. iemand met een ridderorde, in rang boven officier en onder grootkruis
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen