Naar inhoud springen

ridder

Uit WikiWoordenboek
  • rid·der
enkelvoud meervoud
naamwoord ridder ridders
verkleinwoord riddertje riddertjes

deridderm

  1. (beroep) (geschiedenis), (adel) oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
    • Ridders waren soldaten die heel erg trouw waren aan hun heer of koning. 
     Die nadruk op fysieke ontwikkeling blijft een constante: of we nu de levensbeschrijving lezen van een twaalfde-eeuwse ridder als Willem de Maarschalk of de veertiende-eeuwse Jean le Meingre of Boucicaut, hun jonge jaren waren gevuld met een zwaar fysiek programma.[4]
  2. rang in een ridderorde, boven die van lid, maar onder die van officieren en commandeurs
vervoeging van
ridderen

ridder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ridderen
    • Ik ridder. 
  2. gebiedende wijs van ridderen
    • Ridder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ridderen
    • Ridder je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]

ridder

  1. (adel) ridder

ridder

  1. (adel) ridder

ridder

  1. (adel) ridder

ridder

  1. (adel) ridder