kanselier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·se·lier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoogwaardigheidsbekleder’ voor het eerst aangetroffen in 1293 [1]
  • afgeleid van kansel met het achtervoegsel -ier [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kanselier kanseliers
kanselieren
verkleinwoord kanseliertje kanseliertjes

Zelfstandig naamwoord

kanselier m

  1. een verkorte term voor bondskanselier
    • Toen Hitler in 1933 kanselier van Duitsland werd, was dat het begin van het einde van de Duitse democratie 
  2. het hoofd van een kanselarij
    • Reeds de Romeinse keizers hadden kanseliers in dienst. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen