neus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord neus neuzen
verkleinwoord neusje neusjes

Zelfstandig naamwoord

neus m

  1. (anatomie), (zoötomie) een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
    Mensen halen meer adem via hun neus dan via hun mond.
  2. het reukvermogen
    Je hebt er echt een neus voor!
  3. het voorste deel van een voorwerp
    De neus van het vliegtuig was beschadigd.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de neus ergens voor ophalen
iets minderwaardig vinden
  • tussen neus en lippen iets zeggen
iets zonder nadruk zeggen
  • je neus stoten
je doel niet bereiken
  • keel-, neus- en oorheelkunde
  • iemand met de neus op de feiten drukken
iemand iets duidelijk maken
  • zijn neus in iemands anders zaken steken
je bemoeien met zaken die niet de jouwe zijn
Spreekwoorden
  • Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht
het is moeilijk om je goede naam weer te herwinnen als je hem bent kwijtgeraakt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
neuzen

neus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neuzen
    Ik neus.
  2. gebiedende wijs van neuzen
    Neus!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van neuzen
    Neus je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie