snotneus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snot·neus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snotneus snotneuzen
verkleinwoord snotneusje snotneusjes

Zelfstandig naamwoord

snotneus m

  1. jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
    • Ik laat mij door die snotneus de les niet lezen. 
  2. een loopneus
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be