tip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tip
1 enkelvoud meervoud
naamwoord tip tippen
verkleinwoord tipje tipjes
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘fooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1968 [1]
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘wenk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1889 [1]
  • In de betekenis van ‘uiteinde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
2 enkelvoud meervoud
naamwoord tip tips
verkleinwoord tipje tipjes

Zelfstandig naamwoord

tip m

  1. een uiterste punt van iets
    • Ik zal een tipje van de sluier oplichten. 
  2. een inlichting over iets
    • Ik zal je een tip geven... 
  3. een fooi
    • Geef jij die dame eens een tip. 
  4. een stukje rubber in de hak- of schoenzool tegen scheef afslijten
    • De tip in mijn zool is weg. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tippen

tip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tippen
    • Ik tip. 
  2. gebiedende wijs van tippen
    • Tip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tippen
    • Tip je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Pools

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoourd uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

tip

  1. tip; een fooi


Limburgs

Zelfstandig naamwoord

tip

  1. tip; een inlichting over iets


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

tip m

  1. tip; een inlichting over iets


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • tip

Zelfstandig naamwoord

tip monbezield

  1. tip; een inlichting over iets
  2. gok; een keuze zonder het juiste antwoord te weten
Verbuiging
Synoniemen
  1. rada v, nápad monbezield, doporučení o
  2. sázka v
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Uitspraak

Tussenwerpsel

tip

  1. tsjilp; een geluid gemaakt zoals door sommige jonge vogels
Schrijfwijzen
Verwante begrippen

Verwijzingen