tip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tip
1 enkelvoud meervoud
naamwoord tip tippen
verkleinwoord tipje tipjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord tip tips
verkleinwoord tipje tipjes

Zelfstandig naamwoord

tip m

  1. een uiterste punt van iets
    • Ik zal een tipje van de sluier oplichten. 
  2. een inlichting over iets
    • Ik zal je een tip geven... 
  3. een fooi
    • Geef jij die dame eens een tip. 
  4. een stukje rubber in de hak- of schoenzool tegen scheef afslijten
    • De tip in mijn zool is weg. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tippen

tip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tippen
    • Ik tip. 
  2. gebiedende wijs van tippen
    • Tip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tippen
    • Tip je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie