reukvermogen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reuk·ver·mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reukvermogen reukvermogens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reukvermogen o [1]

  1. het kunnen ruiken
    • Het reukvermogen van de bezwijmde jongeman vindt complementen in respectievelijk het gehoor dat wordt bekoord door een groepje zangers, het gezicht dat een handje wordt geholpen door een brillenverkoper, en het gevoel dat op de proef wordt gesteld door een operatie door een onbehouwen charlatan. [2] 
    • Het reukvermogen van een hond is vele malen beter dan dat van een mens. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. NRC Bram de Klerck 6 januari 2017