neuzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neu·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neuzen
neusde
geneusd
zwak -d volledig

Werkwoord

neuzen

  1. inergatief snuffelen, met de neus onderzoeken
    • De hond neusde nog wat tussen de passagiers, maar vond klaarblijkelijk geen contrabande. 
  2. inergatief ~ in zoeken
    • Hij had wat in die boeken geneusd en nog wat citaten gevonden. 
  3. bemoeien

Zelfstandig naamwoord

neuzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord neus

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie