näsa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • nä·sa

Zelfstandig naamwoord

näsa g

  1. (anatomie) neus
    «Peta dig inte i näsan
    Peuter niet in je neus!
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   näsa     näsan     näsor     näsorna  
genitief   näsas     näsans     näsors     näsornas