Naar inhoud springen

loeren

Uit WikiWoordenboek
  • loe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loeren
loerde
geloerd
zwak -d volledig

loeren

  1. inergatief ~ naar intensief kijken, vaak met kwade bedoeling
    • Die vent zat alsmaar naar mij te loeren. 
  2. inergatief ~ op een kans afwachten iemand te verschalken
    • Die havik loert op de broedvogels van de kolonie. 

deloerenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord loer
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]