trema

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tre·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘deelteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1769 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord trema trema's
verkleinwoord tremaatje tremaatjes

Zelfstandig naamwoord

trema o

  1. (taalkunde) een diakritisch teken in de vorm van twee puntjes dat geplaatst wordt op een klinker om aan te geven dat met deze letter een nieuwe lettergreep begint.
    • Het woord coëfficiënt heeft twee trema's. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

enkelvoud meervoud
trema tremas

Zelfstandig naamwoord

trema v

  1. (taalkunde) trema