opletten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·let·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opletten
lette op
opgelet
zwak -t volledig

Werkwoord

opletten

  1. inergatief bij voortduring aandachtig zijn
    • Als je tijdens de les niet oplet, moet je niet vreemd opkijken dat je een onvoldoende krijgt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.