cazzo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • caz·zo

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
cazzo cazzi

cazzo m

  1. (vulgair), (anatomie) lul, snikkel
  2. (vulgair), (scheldwoord) lul, klootzak
  3. (vulgair) geen zak, geen flikker
    «Non me ne frega un cazzo
    Het kan me geen zak schelen!
  4. (vulgair) in godsnaam, verdomme
    «Che cazzo vuoi?»
    Wat moet je, verdomme?

Tussenwerpsel

cazzo!

  1. (vulgair) kut!