lullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lullen
/'lʏlə(n)/
lulde
/'lʏldə/
geluld
/ɣə'lʏlt/
zwak -d volledig

Werkwoord

lullen

  1. (informeel) onzin uitkramen
    • Wat zit je nou te lullen? 
  2. (informeel) verraden
    • Hij heeft tegen de politie zitten lullen. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

lullen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lul

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.