hondenlul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·den·lul
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hondenlul hondenlullen
verkleinwoord hondenlulletje hondenlulletjes

Zelfstandig naamwoord

hondenlul m

  1. de penis van een hond
  2. (scheldwoord) scheldwoord, in het bijzonder voor voetbalscheidsrechters

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen