lullig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lul·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘flauw, vervelend’ voor het eerst aangetroffen in 1928 [1]
  • Afgeleid van lul met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lullig lulliger lulligst
verbogen lullige lulligere lulligste
partitief lulligs lulligers -

Bijvoeglijk naamwoord

lullig

  1. vervelend
  2. flauw, sullig
    • Het was niet zozeer de angst om dood te gaan, als wel het idee nu dood te gaan. Als laatste doodgaan, zei Albert bij zichzelf, is hetzelfde als als eerste doodgaan, lulliger bestaat niet. [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen