lichamelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·cha·me·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lichamelijk lichamelijker lichamelijkst
verbogen lichamelijke lichamelijkere lichamelijkste
partitief lichamelijks lichamelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

lichamelijk

  1. met betrekking tot het lichaam
    • Het OM had zes jaar cel geëist voor de arts wegens het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk en psychisch letsel. [1] 
Uitdrukkingen en gezegden

Geestelijk en lichamelijk.

  • Met betrekking tot de geest en het lichaam.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen