Naar inhoud springen

lang

Uit WikiWoordenboek
  • lang
  • erfwoord, in de betekenis van ‘met een grote lengte’ voor het eerst aangetroffen in 788 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: lanc
Oudnederlands: lank
Germaans: *langaz
Indo-Europees: *dl̥h₁gʰós
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: lang (Angelsaksisch: lang), Duits: lang, (Oudhoogduits: lang), Fries: lang (Oudfries: lang)
Noord: Zweeds: lång, Deens/Noors: lang, (Oudnoords: langr), IJslands/Faeröers: langur
Oost: Gotisch: laggs
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lang langer langst
verbogen lange langere langste
partitief langs langers -

lang

  1. van grote duur, langdurig
    • Die lange film was erg interessant. 
     Een onbekende stem vertelde een eindeloos lange mop met een zeer matige clou, maar ik was allang blij afgeleid te worden.[2]
     Ik begon wat langere dagen te maken, vooral dankzij mijn ontmoeting met de razendsnelle Animal Style, een markante kerel uit Israël.[2]
  2. van grote lengte
    • Een lange man is wel hoog, maar niet per se breed. 
     In een oude National Geographic had ik ooit als kind een artikel over deze trail gelezen, 4.286 kilometer door Amerika. Dit heb ik altijd onthouden, maar ik had nooit gedacht dat zo’n lange wandeltocht voor mij weggelegd zou zijn.[2]
     Het werd me al snel duidelijk dat ik de trail volledig had onderschat. De bergpaden waren steiler, de zon heter, de slangen groter en de afstanden tussen waterpunten langer dan ik me had voorgesteld.[2]
  3. de genoemde tijd durend
    • die film is wel een uur lang 
  4. de genoemde lengte hebbend
    • die man is vast wel twee meter lang 

lang

  1. absoluut, volstrekt
    • Hij is lang zo goed niet als Lisa. 
  2. grote duur
     Kennedy Meadows is een soort oase die je als een draaikolk kan opslokken en waar je veel te lang in kunt blijven hangen.[2]
vervoeging van
langen

lang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van langen
    • Ik lang. 
  2. gebiedende wijs van langen
    • Lang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van langen
    • Lang je? 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]


  • lang
stellend vergrotend overtreffend
lang
länger
am längsten
alle verbuigingsvormen

lang

  1. lang


  • lang
  • Afkomstig van het Oudnoorse bijvoeglijke naamwoord langr
Naar frequentie 483
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lang lengre lengst
o enkelvoud langt
meervoud lange
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lange lengre lengste

lang

  1. lang
    «Hurtigrutens 2500 km lange reise er full av opplevelser.»
    De 2500 km lange reis op de Hurtigrute zat vol met ervaringen.
  • en lang mur
een lange muur
  • et langt hus
een lang huis
  • flere lange dager
enkele lange dagen
  • dagen lang
fulltime, voor hele dagen
  • på lang sikt
op de lange termijn
  • en lang rekke spørsmål
een lange reeks vragen

lang

  1. tegenwoordige tijd gebiedende wijs van lange


  • lang
  • Afkomstig van het Oudnoorse bijvoeglijke naamwoord langr
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lang lengre lengst
o enkelvoud langt
meervoud lange
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lange lengre lengste

lang

  1. lang
  • på lang sikt
op de lange termijn
  • ei lang rekkje spørsmål
een lange reeks vragen

lang

  1. tegenwoordige tijd gebiedende wijs van lange

lang o

  1. pergola
  2. langszijde