Naar inhoud springen

huur

Uit WikiWoordenboek
  • huur
  • In de betekenis van ‘het huren; geldsom waarvoor men huurt’ voor het eerst aangetroffen in 1324 [1]
  • erfwoord: Middelnederlands hūre, ontwikkeld uit Oergermaans *hūzjō-, deverbatief van het w.w. *hūzjan-; zie verder huren.[2] Evenals Nederduits Hüür, Fries hier en Engels hire.
enkelvoud meervoud
naamwoord huur huren
verkleinwoord huurtje huurtjes

dehuurv/m

  1. (juridisch) het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
     De huur van een paard is snel geregeld.[3]
  2. geldbedrag waarvoor men huurt
     Op de keukentafel had ze een envelop met een maand huur achtergelaten, betaald door Connie.[4]
  • Te huur!
vervoeging van
huren

huur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Ik huur. 
  2. gebiedende wijs van huren
    • Huur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Huur je? 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
  1. "huur" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 261
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. Jessie Burton
    “De bekentenis” (2020), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586295
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be