huur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huur huren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huur v/m

  1. een geldbedrag voor het tijdelijk gebruik van een woning of gebruiksartikel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Te huur!
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
huren

huur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Ik huur. 
  2. gebiedende wijs van huren
    • Huur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
    • Huur je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl