Naar inhoud springen

lease

Uit WikiWoordenboek
  • lease
  • lea·se (aanvoegende wijs)
  • Ontleend aan Engels lease [A]. In het Nederlands aangetroffen sinds de tweede helft van de 20e eeuw, aanvankelijk vooral in samenstellingen.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lease leases
verkleinwoord - -

deleasev/m

  1. (financieel) (economie) het leasen
vervoeging van
leasen

lease

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leasen
    • Ik lease. 
  2. gebiedende wijs van leasen
    • Lease! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leasen
    • Lease je? 
  4. aanvoegende wijs van leasen
96 %van de Nederlanders;
85 %van de Vlamingen.[2]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
enkelvoud meervoud
lease leases

lease

  1. (juridisch) huur
  2. (juridisch) verhuur
  3. (juridisch) pacht
  4. (juridisch) huurcontract, huurovereenkomst
vervoeging
onbepaalde wijs to  lease 
he/she/it  leases 
verleden tijd  leased 
voltooid
deelwoord
 leased 
onvoltooid
deelwoord
 leasing 
gebiedende wijs  lease 

[A] lease

  1. overgankelijk, (juridisch) huren
  2. overgankelijk, (juridisch) verhuren
  3. overgankelijk, (juridisch) pachten
  4. overgankelijk, (juridisch) leasen

[B] lease

  1. overgankelijk bijeenzamelen, verzamelen
  2. overgankelijk selecteren, uitkiezen
  1. lease, Online Etymology Dictionary