huren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘pachten’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huren
huurde
gehuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

huren

  1. tegen betaling lenen
    • Als je dat behang van de muur wil halen, kan je daar een machine voor huren. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

huren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord huur

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen