inhuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·hu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inhuren
huurde in
ingehuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

inhuren

  1. overgankelijk iemand tijdelijk in dienst/iets tijdelijk in gebruik nemen
    • Er werden direct extra werkkrachten ingehuurd. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.