lening

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van lenen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord lening leningen
verkleinwoord leninkje leninkjes

Zelfstandig naamwoord

lening v

  1. (economie) het lenen van geld
    • Hij heeft een lening afgesloten bij de bank. 
  2. een bedrag dat geleend wordt
    • De lening bedraagt tienduizend euro. 
     In 2009 steunt hij de club opnieuw met een lening, op voorwaarde dat hij de overige aandelen ook in handen krijgt als de club niet aan zijn betalingsplicht voldoet. Dat blijkt in 2010 aan de orde, waardoor Schouten voor 99 procent eigenaar wordt van Vitesse.[1]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 4 november 2021 Weblink bron “'Bemoeial' Oyf volgt Tsjigirinski op als eigenaar van Vitesse” (25-05-2018), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be