huursom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur·som
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huursom huursommen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huursom v/m [1]

  1. bedrag dat je moet betalen als je iets wilt huren, of ontvangt als je iets verhuurt
    • De totale huursom (alle huren bij elkaar) van de sociale huurwoningen van een woningcorporatie mag de komende jaren met niet meer dan het inflatiepercentage plus 1 procent stijgen. [2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Eva Smal 3 juni 2015
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be