huishuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·huur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huishuur huishuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huishuur v/m [1]

  1. de hoeveelheid geld die je moet betalen aan de eigenaar van de woning, om een bepaalde tijd in de woning te mogen wonen
    • Als de moeder van een gezin in het ziekenhuis was opgenomen had je veel verantwoordelijkheid. Ook financieel. Je moest de huishuur betalen (die thuis werd opgehaald), net als gas en licht. Ook de slager, de bakker en alle andere leveranciers kwamen aan de deur. [2] 
    • Frans Schmal: Bij een aow en een klein pensioentje wat neerkomt op ca Euro 1450,00 houdt men niets meer over als men bedenkt dat huishuur , zorgkosten, eigen bijdrage en andere verzekeringen houd men er nog maar weinig over om van te leven laat staan om op vakantie te gaan. Als men 1,00 Euro teveel boven de norm heb val t men buiten de toeslagen. [3] 
    • Maar ik moest gelukkig geen huis meer afbetalen of huishuur betalen. Ik kwam rond. Sindsdien is Sprinkle mijn hoofdactiviteit.” [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Enny de Bruijn 06-02-2016 Eva Vriend beschrijft geschiedenis van gezinszorg
  3. De Telegraaf 05 jan. 2017 ’Gemiddelden bij pensioen zijn selectief’
  4. De Standaard Carrière in doe-het-zelf-ontwikkelingshulp: als je hart bij kinderen in Zuid-Afrika ligt 09/12/2017 om 18:25 door (wv)