huurcontract

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur·con·tract
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huurcontract huurcontracten
verkleinwoord huurcontractje huurcontractjes

Zelfstandig naamwoord

huurcontract o

  1. huurovereenkomst
    • De huisjesmelker liet een heel slordig huurcontract opstellen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.