haven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ligplaats voor schepen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • van Middelnederlands haven, havene[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord haven havens
verkleinwoord haventje haventjes

Zelfstandig naamwoord

haven v

  1. (waterstaat) natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilige haven
  • veilige plaats waar men neerstrijkt na verblijf in een onveilige situatie
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

haven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haaf

Werkwoord

vervoeging van
havenen

haven

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
    • Ik haven. 
  2. gebiedende wijs van havenen
    • Haven! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
    • Haven je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • ha·ven
Naar frequentie 3592

Zelfstandig naamwoord

haven, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van have


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ven
Naar frequentie 9870

Zelfstandig naamwoord

haven

  1. nominatief bepaald onzijdig meervoud van hav