onderhavig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·ha·vig
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘waarvan op het ogenblik sprake is’ voor het eerst aangetroffen in 1818 [1]
  • Van Duits das unterhabene met het achtervoegsel -ig [2]
stellend
onverbogen onderhavig
verbogen onderhavige
partitief onderhavigs

Bijvoeglijk naamwoord

onderhavig

  1. wat onder beschouwing is, het betreffende
    • Het onderhavige geval is duidelijk uitzonderlijk. 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen