haaf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haaf
enkelvoud meervoud
naamwoord haaf haven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

haaf v/m

  1. bezit.
    • Hij verspeelde huis en haaf. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be