Naar inhoud springen

havenbekken

Uit WikiWoordenboek
  • ha·ven·bek·ken
enkelvoud meervoud
naamwoord havenbekken havenbekkens
verkleinwoord

het havenbekkeno

  1. (scheepvaart) water in een haven waarover schepen van en naar hun aanlegplaats kunnen varen
     Er stond een zwak briesje dat het water in het havenbekken amper deed rimpelen.[2]
     "Je schrikt er ongelooflijk van. Er zijn zoveel distributiecentra compleet geruïneerd. Schepen die aan de kade lagen, liggen nu op hun kant op de bodem van het havenbekken. En dan heb ik het nog niet eens over de krater en de grote graansilo's die hier staan en volledig verwoest zijn. Het is enorm indrukwekkend en ook triest."[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Henning Mankell (vert.Clementine Luijten)
    “Italiaanse schoenen” (2011), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044521832
  3. Bronlink geraadpleegd op 6 april 2022 Weblink bron “Rotterdamse havendirecteur in Beiroet: haven mooier maken dan hij was” (28-08-2020), NOS