area

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • area
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord area area's
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Zelfstandig naamwoord

area v/m

  1. (anatomie) bepaald gebied binnen een orgaan
    Inmiddels weten we echter dat Broca's area ook in de hersenen van dieren te vinden is en hooguit groter is bij de mens.[1]
  2. (bouwkunde) (religie) open terrein bij synagoges en vroegchristelijke kerken
    De grafzerken van de hoogleraren die in voorgaande eeuwen in het koor van de kerk waren begraven (…) werden voorlopig op de area opgeslagen; de graven zelf werden geruimd.[2]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Westendorp, G. De Spraakmakers (2004) Van Gorcum, Assen; ISBN 9789023240105; p. 199 n. 35; geraadpleegd 2016-05-30
  2. Berkel,K. van Universiteit van het Noorden: vier eeuwen academisch leven in Groningen: Deel 1 De oude universiteit, 1614-1876 (2014) Uitgeverij Verloren, Hilversum; ISBN 9789087044664; p. 616; geraadpleegd 2017-05-30


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
area areas

Zelfstandig naamwoord

area

  1. gebied
  2. oppervlak


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈaː.re.a/

Zelfstandig naamwoord

ārea v

  1. onbebouwd gebied
Verbuiging
Overerving en ontlening