zone

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Zone voor taxi's

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zone zones
zonen
verkleinwoord zonetje zonetjes

Zelfstandig naamwoord

zone m

  1. een bepaald afgebakend gebied
    • De zone achter de auto was afgezet. 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Anglo-Normandisch

Zelfstandig naamwoord

zone

  1. zone


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zone zones

Zelfstandig naamwoord

zone

  1. zone
  2. gebied


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

zone v

  1. zone
  2. (spreektaal) buitenwijk van een grote stad met meestal miserabele woonomstandigheden
    «C'est la zone, ton quartier.»
    Wat is die wijk van jou toch triest. [1]

Bijvoeglijk naamwoord

zone

  1. (spreektaal) miserabel, ellendig
    «J’ai troqué mon cuir un peu zone contre une paire de docksides.»
    Ik heb mijn nogal armzalig jack geruild tegen een paar bootschoenen. [1]

Verwijzingen