dol

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rigger met dol.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dol
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dol doller dolst
verbogen dolle dollere dolste
partitief dols dollers -

Bijvoeglijk naamwoord

dol

  1. onzinnig
    • Het was een dol plan, maar het was wel erg gezellig. 
  2. gek, krankzinnig
    • Dol van de pijn rende hij naar buiten. 
  3. agressief door besmetting met rabiës
    • Kijk uit, die hond is dol! 
  4. verrukt, verzot (alleen predicatief)
  5. (van schroefdraad) zonder grip
    • Hij gebruikte teveel kracht en draaide zo de schroef dol. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • door het dolle heen gaan of zijn
  • geen remming meer hebben
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord dol dollen
verkleinwoord dolletje dolletjes

Zelfstandig naamwoord

dol m

  1. (scheepvaart) een metalen pin waarop een roeispaan kan draaien
  2. (scheepvaart) een U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dollen

dol

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dollen
    • Ik dol. 
  2. gebiedende wijs van dollen
    • Dol! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dollen
    • Dol je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Schots-Gaelisch

Uitspraak
  • /dɔlˠ/

Zelfstandig naamwoord

dol m

  1. naamwoord van handeling van rach: het gaan, de beweging
  2. a + ~: gaande vormt de tegenwoordige tijd
    «Tha mi a' dol dhachaigh. »
    Ik ga naar huis.
Enkelvoud Meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief dol dolachan  
genitief dola

dol m

  1. lus, strop
  2. schakel
  3. oogje, lusje
  4. val