dolblij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dol·blij
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘buitengewoon blij’ voor het eerst aangetroffen in 1916 [1]
  • samenstelling van  dol  en  blij 
stellend
onverbogen dolblij
verbogen dolblije
partitief dolblijs

Bijvoeglijk naamwoord

dolblij

  1. uitgelaten zijn, heel erg vrolijk van stemming, buitengewoon blij, enorm blij
    • Ze zijn dolblij, net als Hollandsche jongens met de eerste sneeuw. [2] 
     Wat een tocht! Na zeven weken lopen had ik nog niet eens een kwart van de hele trail afgelegd, maar ik was dolblij dat ik de hete woestijn eindelijk achter me kon laten.[3]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "dolblij" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bron:
    Jacob Israël de Haan
    Feuilletons in het Algemeen Handelsblad 1919-1924
    Algemeen Handelsblad, Amsterdam 1919-1924
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be