besmetting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smet·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord besmetting besmettingen
verkleinwoord besmettinkje besmettinkjes

Zelfstandig naamwoord

besmetting v

  1. (medisch) blootstelling aan een ziektekiem
    • Niet iedereen wordt van een besmetting ziek, er zijn genoeg gezonde dragers van ziektekiemen. 
    • Volgens de Gezondheidsraad kan PrEP helpen het aantal besmettingen van hiv te verlagen. Critici vinden dat het seks zonder condoom aanspoort.[1] 
     In veel Europese landen stabiliseert het aantal doden en besmettingen, in Zweden blijft de curve doorlopen.[2]
  2. (natuurkunde) blootstelling aan een radioactieve isotoop, gewoonlijk door aanraking of inname
    • Vooral een besmetting met radioactief jodium is gevaarlijk na een kernongeluk. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Sophie van Oostvoorn 27 maart 2018 Gezondheidsraad: verstrek hiv preventiemiddel PrEP
  2. Bronlink Weblink bron “Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe” (03-06-2020), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord besmetting besmettings

Zelfstandig naamwoord

besmetting

  1. (medisch)(natuurkunde) besmetting