honing

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
honing

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord honing honingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

honing m [2] [3]

  1. (imkerij) een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
    • Hij at een broodje met honing. 
Schrijfwijzen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een land van melk en honing zijn
een land waar het goed en voorspoedig leven is
  • Iemand honing om de mond smeren
tegen iemand aardige dingen zeggen/vleien om iets gedaan te krijgen
  • Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn
door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen