dollen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dol·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

dollen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dollen
dolde
gedold
zwak -d volledig
  1. spelen, stoeien, spotten, gek doen
    De vader dolde met zijn kinderen, totdat ze de vaas kapot stootten, toen moesten ze van moeder stoppen en de scherven opruimen.

Zelfstandig naamwoord

dollen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dol