dolboord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

zwart dolboord met roeipennen
Uitspraak
Woordafbreking
  • dol·boord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dolboord dolboorden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dolboord m/o [2]

  1. (scheepvaart) bovenste rand van een (roei)boot
Vertalingen

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen