schakel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schakel schakels
verkleinwoord schakeltje schakeltjes

Zelfstandig naamwoord

schakel v / m [2]

  1. element van een keten of ketting
  2. de verbinding tussen een aantal verschijnselen etc.
Uitdrukkingen en gezegden
  • de ketting is niet sterker dan de zwakste schakel
het zwakste onderdeel bepaalt de sterkte van het geheel
Hij was de zwakste schakel in de verdediging.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schakelen

schakel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
    Ik schakel.
  2. gebiedende wijs van schakelen
    Schakel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
    Schakel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal