verrukt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·rukt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘opgetogen’ voor het eerst aangetroffen in 1635 [1]
  • vervoeging van verrukken: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen verrukt verrukter verruktst
verbogen verrukte verruktere verruktste
partitief verrukts verrukters -

Bijvoeglijk naamwoord

verrukt

Werkwoord

vervoeging van
verrukken

verrukt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verrukken
    • Jij verrukt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verrukken
    • Hij verrukt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van verrukken
    • Verrukt! 
  4. voltooid deelwoord van verrukken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen